De Nederlandse taal zit vol woorden die bijna hetzelfde klinken, maar toch anders worden geschreven. De woorden ‘verlaagt’ en ‘verlaagd’ zijn daar een goed voorbeeld van. Wanneer je de woorden uitspreekt, hoor je nauwelijks verschil. Toch kun je ze niet zomaar door elkaar gebruiken. In de ene zin is ‘verlaagt’ correct, terwijl je in een andere zin juist ‘verlaagd’ moet schrijven. Dat verschil heeft alles te maken met de functie van het woord in de zin. Het woord ‘verlaagt’ is meestal een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd en ‘verlaagd’ is meestal een voltooid deelwoord of eena bijvoeglijk naamwoord. Dat klinkt misschien wat technisch, maar het wordt een stuk makkelijker als je weet waar je op moet letten.
Verlaagt of verlaagd? Kort antwoord:
Het verschil tussen verlaagt en verlaagd zit in de functie van het woord in de zin. Verlaagt schrijf je met een t als het de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd is, bijvoorbeeld: De winkel verlaagt de prijzen. Verlaagd schrijf je met een d als het een voltooid deelwoord is, vaak na een hulpwerkwoord zoals heeft, is of werd, bijvoorbeeld: De winkel heeft de prijzen verlaagd. Beide schrijfwijzen zijn dus correct, maar je gebruikt ze in een andere grammaticale situatie.
De Nederlandse taal steekt soms moeilijk in elkaar

Het lijkt wel of de Nederlandse taal de laatste jaren steeds moeilijker wordt. Hoe komt dit? Dit heeft voor een deel te maken met het veranderen van de Nederlandse taal. Hiermee bedoelen we vooral dat Nederlands niet altijd meer puur Nederlands is. We gebruiken namelijk steeds meer woorden uit een andere taal in onze eigen taal. Zo komen er steeds meer Engelse woorden bij, die we eigenlijk ‘vernederlandsen’. Dit levert nieuwe vraagstukken op, vooral als het gaat om het vervoegen van deze woorden.
We kennen veel dubbele woorden in het Nederlands

Nederlands is een taal waarbij je altijd kunt kiezen uit meerdere woorden die hetzelfde betekenen. Zo kunnen ‘normaal’ en ‘gewoon’ hetzelfde betekenen. Ook ‘doorgaans’ en ‘meestal’ kunnen dezelfde betekenis hebben. Daar staat tegenover dat we ook één woord gebruiken voor verschillende dingen, dus eigenlijk andersom. Denk aan het woord ‘trap’. Je kunt het dan hebben over een trap die je tegen een voetbal geeft, maar ook over een trap die je oploopt om boven te komen. We hebben dus veel dubbele woorden en dubbele betekenissen, wat de taal allemaal niet makkelijker maakt.
De ‘d’ en ‘t’ blijven toch het lastigst

We merken dat het in de Nederlandse taal voor de meeste mensen toch het lastigst is om te bepalen wanneer je nu een ‘d’ aan het eind moet schrijven en wanneer we een ‘t’ schrijven. Dan is er natuurlijk ook nog de combinatie van ‘dt’, al komt ‘td’ nooit voor. De Nederlandse spelling en grammatica is wat dat betreft best lastig, maar er zijn wel regels waar je je aan vast kunt houden. Deze regels werken dus ook als je wilt weten of je ‘verlaagt’ of ‘verlaagd’ moet schrijven. Daar gaan we je meer over vertellen!
Beide woorden bestaan gewoon
Een veelgemaakte denkfout is dat één van de twee schrijfwijzen fout zou zijn. Dat is niet het geval. Zowel ‘verlaagt’ als ‘verlaagd’ is een correct Nederlands woord. De vraag is alleen welke vorm je in een bepaalde zin nodig hebt. We geven je een voorbeeld:
- De supermarkt verlaagt de prijs van het product.
- De supermarkt heeft de prijs van het product verlaagd.
In de eerste zin is ‘verlaagt’ de persoonsvorm. De supermarkt doet op dat moment iets, namelijk de prijs lager maken. In de tweede zin staat al een andere persoonsvorm, namelijk ‘heeft’. Het woord ‘verlaagd’ is daar het voltooid deelwoord en vertelt wat de supermarkt inmiddels al heeft gedaan. De betekenis van beide zinnen lijkt sterk op elkaar. Toch is de grammaticale opbouw anders. Juist daardoor verandert ook de spelling.
Wanneer schrijf je ‘verlaagt’ met een ‘t’?
Je schrijft ‘verlaagt’ met een ‘t’ wanneer het de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd is en het onderwerp van de zin hij, zij, het of een enkelvoudig zelfstandig naamwoord is. Het hele werkwoord is ‘verlagen’. Om de stam te vinden, haal je -en van het werkwoord af. Je houdt dan verlaag over. Bij hij, zij en het komt er in de tegenwoordige tijd een t achter de stam. Zo ontstaat het woord ‘verlaagt’. We nemen even deze zin: ‘De bank verlaagt de rente’. Het onderwerp in deze zin is ‘de bank’. Je kunt dit onderwerp vervangen door ‘zij’, dus: zij verlaagt de rente. Daarom schrijf je ‘verlaagt’ in dit geval met een ‘t’. Het is de stam+t. Dit geldt onder meer ook voor de volgende zinnen:
- De school verlaagt de bijdrage voor het schoolreisje.
- De gemeente verlaagt volgend jaar de hondenbelasting.
- Het tijdschrift verlaagt het abonnementsgeld.
- Het medicijn verlaagt de bloeddruk.
- Dit eten verlaagt je cholesterol.
Hoe herken je de persoonsvorm in een zin?
Om te bepalen of je ‘verlaagt’ moet schrijven, helpt het om eerst de persoonsvorm te zoeken. Daar zijn verschillende manieren voor. Je kunt de zin bijvoorbeeld in een andere tijd zetten. Het woord dat verandert is meestal de persoonsvorm. Kijk naar deze zinnen: ‘De winkel verlaagt de prijzen’ en ‘De winkel verlaagde de prijzen’. Je ziet hier dat ‘verlaagt’ verandert in ‘verlaagde’, terwijl de rest van de zin hetzelfde blijft. Hierdoor weet je dat ‘verlaagt’ de persoonsvorm is. Je kunt de zin ook vragend maken: ‘Verlaagt de winkel de prijzen?’ In een vragende zin staat de persoonsvorm namelijk helemaal vooraan. Ook dit is dus een makkelijke manier om de persoonsvorm in een zin te vinden. Een derde optie is om het onderwerp te vervangen door hij, zij of het. Kun je zeggen ‘Hij verlaagt’, ‘Zij verlaagt’ of ‘Het verlaagt’? Dan eindigt het woord met een ‘t’.
Wanneer schrijf je ‘verlaagd’ met een ‘d’?
Je weet nu wanneer je het woord schrijft met een ‘t’ op het einde, maar wanneer schrijf je hetzelfde woord dan met een ‘d’ op het einde? Je schrijft ‘verlaagd’ met een ‘d’ wanneer het woord een voltooid deelwoord is. Een voltooid deelwoord geeft meestal aan dat iets al is gebeurd of voltooid. Vaak staat er in de zin ook een hulpwerkwoord, zoals hebben, zijn of worden. We houden een soortgelijk voorbeeld aan: ‘De winkel heeft de prijzen verlaagd’. Het woord heeft is hier de persoonsvorm. Het woord ‘verlaagd’ vertelt wat de winkel heeft gedaan en is daarom het voltooid deelwoord. Het is al gebeurd. We geven je nog een paar voorbeelden:
- De snelheid in de bebouwde kom is verlaagd.
- Het bedrijf heeft de productiekosten aanzienlijk verlaagd.
- De leraar heeft het aantal strafzinnetjes verlaagd.
- Door de koele washand werd de koorts verlaagd.
- Het schaduwdoek heeft de temperatuur in de tuin verlaagd.
In deze zinnen zie je dat ‘verlaagd’ vaak samen voorkomt met woorden als heeft, is of werd. Dat is een sterke aanwijzing dat je met een voltooid deelwoord te maken hebt.
Waarom eindigt ‘verlaagd’ dan op een ‘d’?

Bij de spelling van een voltooid deelwoord gebruiken veel mensen de regel van ’t kofschip. Je kijkt daarbij naar de laatste letter van de stam van het werkwoord. Het hele werkwoord is ‘verlagen’. De stam is ‘verlaag’. De laatste letter van de stam is een ‘g’. Die letter staat niet in ’t kofschip. Daarom krijgt het voltooid deelwoord een ‘d’. Je schrijft dus ‘verlaagd’ en niet ‘verlaagt’ als het om een voltooid deelwoord gaat. Het helpt ook om naar de verleden tijd te kijken. Je zegt ‘hij verlaagde de prijs’. Omdat je ‘verlaagde’ met een ‘d’ schrijft eindigt het voltooid deelwoord ook op een ‘d’, dus ‘hij heeft de prijs verlaagd’. Deze methode is vooral handig wanneer je twijfelt of een voltooid deelwoord op een ‘d’ of een ‘t’ eindigt.







